Havenstraat 12, 6051 CR Maasbracht
Verhalen uit het verleden,te bewonderen in het heden
We hadden een bootje. We gaan terug naar 1999. Tot nog toe zijn we elke zomervakantie met de kinderen met de caravan eropuit getrokken. Dan leken we wel een kermisattractie: oude Mercedes 240D met surfplank en Sunflower zeilbootje op de allesdrager en een oude caravan aan de trekhaak. Het kon ons allemaal geen bal schelen wat een ander ervan vond, als we op de camping maar een fatsoenlijke plek aan het water hadden natuurlijk, en mooi weer. We hebben veel gezien: niet alleen Nederland, maar vooral Frankrijk met haar Côte d’Azur aan de Middellandse Zee, Meer van Annecy bij de Franse Alpen, de Jura, de Vogezen, Normandië, Bretagne. De kinderen hebben het er af en toe nóg over wat een mooie tijd dat dat was. Maar! Nu het kroost de deur uit is, stemt mijn vrouw Riet ermee in dat we de caravan gaan verruilen voor een bootje, mijn grote wens. We gaan de komende weken op zoek, in jachthavens, bij jachtbemiddelaars en tikken na rijp beraad in Heusden een bootje genaamd ‘Snabbel’ op de kop, 7 meter lang (of kort?) en iets van 2,60 meter breed (of smal?) en een 45 pk Mercedes motortje, verstopt onder een omgekeerde kist. We hebben onze bagage al bij ons en kunnen meteen vertrekken, spannend, een paar uurtjes varen de Maas af richting Lage Zwaluwe, waar we in de jachthaven aldaar onze eerste overnachting zullen hebben. Dat motortje maakt trouwens wel een takkenherrie zeg, vinden we na een uurtje varen. En een verdomd klein bedje zeg. De vorige eigenaar was altijd alleen aan boord geweest, die had met dwarsliggen kennelijk net genoeg ruimte. Tijdens aankomst in Lage Zwaluwe denkt Riet vanaf het bootje op de vingersteiger te stappen, allemaal nog heel onwennig natuurlijk. Door een misstap komt ze tussen wal en schip terecht en bonst als een zij spek tegen de zijkant van het bootje, zich krampachtig vasthoudend aan de reling. Gelukkig drijven we een stukje weg van de steiger en kan ze weer met de schrik in de benen en natte voeten aan boord klimmen. Gelukkig loopt dit allemaal goed af. Achteraf wél gelachen. Riet als een boerin met kiespijn, dat wel natuurlijk. De weken daarna maken we Zeeland onveilig, zoals het Veerse Meer, maar we gaan ook via het Kanaal door Walcheren naar Vlissingen, de geboorteplaats van Riet. En alles zonder marifoon, dus bij iedere sluis of brug moet je aanleggen en je melden op de wal. Dat lukt niet altijd even soepel, maar al doende leert men. Als we weer terug zijn in Limburg vinden we een thuishaven in Roermond. In 2001 verruilen we de Snabbel voor een grotere boot genaamd ‘Popeye’, weet je wel, de sailorman, die dezelfde dag nog aan het Brielse Meer wordt omgedoopt tot ‘Zwerver’. Klinkt toch beter dan Popeye? De boot is 10 meter lang en 3 meter breed, met een 80 pk 5-cilinder Mercedes motor. Kijk, dat is andere koek. En een lekker groot bed niet te vergeten. Wat een comfort! Met de Zwerver maken we de komende jaren zwerftochten door Nederland en België. Dan pas besef je hoeveel waterwegen Nederland heeft. Je kunt veel plaatsen via het water bereiken, vooral de steden, en dan nog tot in het centrum ook. Intussen is het 2002 en verhuizen we naar Maasbracht, dus de Zwerver ook. In 2005 maken we met de Zwerver een vaartocht naar het hoge Noorden: Overijsel, Drente, Friesland, Groningen. Daar tussen de Drentse Hoofdvaart en het Friese Heerenveen ligt een door iedereen aanbevolen Turfroute, die móet je een keer gevaren hebben. Dus wij óók. We vertrekken uit Meppel en gaan via de Drentsche Hoofdvaart richting Assen, en slaan vóór Assen linksaf de Companjonsfeart in, voor ons het begin van de Turfroute, richting Oosterwolde. Het grappige is dat we de draaibruggetjes zelf moeten bedienen. Na een paar dagen hebben we deze streek wel gezien, en gaan we na een nachtje Oldeberkoop richting Heerenveen. Maar eerst nog dat laatste sluisje nemen. Daar aangekomen ligt er al een Duits jachtje aan de kade te wachten om te worden geschut mag je verwachten. Dus wij willen daar netjes achter gaan liggen. Maar nee, dat is niet de bedoeling van die Duitsers, we mogen vóór gaan. Wat nou weer? Zo hoort het niet: “Sie sind nummer eins” zeg ik in mijn beste Duits, dus maken we achter dat jachtje vast. Maar nee hoor, die Duitse snuiters zeggen dat ze blijven liggen. Nou, vooruit dan maar. Zodra het licht op groen springt maken we los en varen de sluis in. Tot onze stomme verbazing volgen die Duitsers ons. En eenmaal in de sluis beseffen we dat we flink genaaid zijn, want zodoende zijn hunnie de zoveel duizendste bezoeker van de Turfroute, en wij niet. Die Duitsers hebben voorkennis gehad verdomme, net zoals bij het uitbreken van de 2 e wereldoorlog! Sorry, maar dit floept er zomaar ineens uit. Ze gaan er met de hoofdprijs vandoor, bestaande uit een gratis etentje en een vracht aan streekgerechten en dranken, uitgereikt door de Burgemeester van Oldeberkoop met een handvol companen. En wij? Wij moeten het doen met een Oldeberkoper Oranjekoek, zo’n droge hap wat je niet weg krijgt zonder een paar bakken koffie of thee. Ondanks de feestvreugde op de muur van de sluis moet ik als een botsauto hebben lopen kijken. Riet probeert me nog te kalmeren door te zeggen dat wij die eerste prijs helemaal niet nodig hebben, dat die Oranjekoek toch ook mooi is meegenomen, maar dat neemt het gevoel van te zijn genaaid, door een stelletje Duitsers notabene, niet bij me weg. Ik heb daar de hele dag nog last van gehad. ’s Avonds in de haven van Heerenveen bij een borreltje ebde dat vijandige gevoel pas weg. Laat ze de kolere krijgen! Riet heeft gelijk, we hebben het toch goed en die prijs helemaal niet nodig, toch? Ander onderwerp: in de zomer van 2006 gaat het mis. De Zwerver vliegt in de fik, liggend aan de steiger in de Gemeentehaven oftewel de Industriehaven van Maasbracht. Dat gebeurt ’s nachts, terwijl wij thuis vredig in ons bedje liggen te slapen. De boot is reddeloos verloren, de brandweer kan alleen nog maar nablussen. Oorzaak? Oververhitte uitlaat, die is ’s avonds gaan schroeien achter de betimmering in de stuurhut, wat onopgemerkt is gebleven en pas ’s nachts tot de brand heeft geleid. Gelukkig geen gewonden en schade aan andere boten, zeker dankzij de koelbloedigheid van een Duitse schipper (jaja, een goeie dit keer, dat zijn trouwens de meesten!) die de onraad letterlijk en figuurlijk heeft geroken en op tijd de gasflessen achter op het zwemplateau van de Zwerver heeft weten te verwijderen. De verzekering dekt alle schade. Met dat geld op zak gaan we zoeken naar een nieuwe boot. Nou ja nieuw, dat wordt weer een gebruikte natuurlijk. Nieuwe boten zijn er genoeg bij de werf naast ons in de haven, maar zo’n nieuw Linssen-jacht is voor ons onbetaalbaar. We gaan zoeken en komen uit in de buurt van Leiden. Zo worden we uiteindelijk trotse eigenaren van een mooie boot genaamd Tigris, vernoemd naar een rivier in Irak, waarlangs het Paradijs van Adam en Eva moet hebben gelegen. Onze Tigris is een Beachcraft van 10 meter lang en 3,25 meter breed met een 75 pk 4-cilinder Mercedes motor. Daarmee maken we de komende jaren ook tochten de Maas op, het hele bevaarbare stuk tot in Noord Frankrijk. We komen zelfs via het Marne-Rijnkanaal in Straatsburg terecht, en een stukje terug via Saar en Moezel in Koblenz, om vervolgens de Rijn af te zakken, terug naar huis. Wat een belevenis! Maar ook laten we ons weer eens in Zeeland zien. Hier volgt een hilarisch verhaaltje. We varen onderweg naar Zeeland onder de Moerdijkbruggen door langs de rechter oever van het Hollands Diep richting Willemstad. Aan de overkant ligt Shell Moerdijk. Het ruikt hier naar dieselolie of zoiets. En dat blijft maar duren. Wij vinden het een wonder dat er nog zo veel watersporters op het water zijn, ondanks die rotlucht. Kilometers verderop ruiken we het nog steeds. Ik vertrouw het niet meer. Het zal toch niet van onze eigen motor komen? Riet neemt het roer van me over en ik duik onderin de boot. Daar vind ik de dader, een losgeschoten dieselolie retourleidinkje sputtert over de motor heen, zodat de lekkage verdampt op de hete motor en de gevormde damp via de afzuigventilator van de motorruimte buiten te ruiken is. Ik stop de motor, we gaan vlak voor Willemstad net buiten de vaargeul met de zwarte bal in top, ten teken dat we onmanoeuvreerbaar zijn, voor anker, zodat ik de lekkage kan verhelpen. En zweten als een otter natuurlijk, boven die hete motor. Maar wel een geluk dat er geen brand is ontstaan! Intussen zit Riet op het achterdek in het zonnetje op de uitkijk. Komt er een zeilboot rakelings langs, terwijl die schipper Riet toeroept: “Ligt u daar lekker, mevrouw?” “Je ziet toch dat we liggen te repareren!” roept ze hem na. Dat zou hij aan die zwarte bal hebben moeten zien, maar ja, weet hij misschien veel? Niet iedereen heeft een vaarbewijs. Even later is de lekkage verholpen en gaan we anker op en bij Willemstad naar binnen. Maar aan alles komt een eind. Ik zie het niet meer zitten, zo’n boot vergt toch een hoop onderhoud, en Riet krijgt moeite om ook bij slecht weer voorop te staan om daar tijdens vastmaken in havens en sluizen met touwen en een pikhaak in de weer te zijn. We worden tenslotte ouder. Dus besluiten we de boot in de verkoop te doen en over te schakelen op een camper. Die kopen we in 2013 en toeren daarmee de komende jaren door Nederland, België, Frankrijk, Spanje en Portugal. Maar steken ook over naar Engeland, Noorwegen en Zweden. Is weer heel wat anders dan bootje varen. Alhoewel ik varen leuker vind dan autorijden. Het voordeel van een camper ten opzichte van een boot is de grote actieradius. Als het hier te lang slecht weer blijft, dan rij je toch gewoon de zon tegemoet? Je moet alleen zorgen altijd voldoende drinkwater aan boord te hebben en dat de cassette onder de plee op tijd geleegd wordt. Dat laatste is beslist geen hobby van me. Op de boot was dat beter geregeld. Geen gedoe met een fatsoenlijk plekje vinden om de stront weg te kunnen kiepen, maar gewoon over boord pompen die handel. Achteraf gezien niet al te netjes natuurlijk. Maar het water zal ik altijd een beetje blijven missen. Vandaar dat we met de camper vaak de kustlijn van welk land dan ook willen volgen.