Maas Binnenvaartmuseum Maasbracht Home Home Home Nieuws Nieuws Nieuws Over ons Over ons Over ons Rondleidingen Rondleidingen Rondleidingen Openingstijden Openingstijden Openingstijden Contact Contact Contact Vrienden v/h museum Vrienden v/h museum Vrienden v/h museum Tjalk “Nooit Volmaakt” Tjalk “Nooit Volmaakt” Tjalk “Nooit Volmaakt” Donateurs en Sponsoren Donateurs en Sponsoren NIEUW Rondvaart door de haven met sluispassage
Geschreven door Dick Zuidhoorn: Veerdienst Papendrecht-Dordrecht. Het Maas Binnenvaartmuseum aan de Havenstraat in Maasbracht wordt bemand door vrijwilligers uit de vaart die op toerbeurt de bezoekers ontvangen. Onderling wordt vaak gelachen om de verhalen die ze elkaar vertellen, het ene soms spannender en smeuïger dan het andere, zoals: Het is 1954. Als vijf-jarig jongetje ben ik met mijn vader en moeder verhuisd van Dordrecht naar Papendrecht. Dat dorpje, gelegen  in de hoek van de Merwede en de Noord, stelt dan nog niet veel voor. Die paar duizend zielen wonen hoofdzakelijk in de dijkwoningen langs de oude dijk tussen Sliedrecht en Alblasserdam. Daaronder bevinden zich het huis van de dokter, het gemeentehuis, de bakker en dat ene café. Wij wonen in de wijk vóór de dijk, ook wel het Eiland genoemd. Deze wordt  grotendeels omringd door water: de Merwede, de Noord en de Geul langs de oude dijk, waardoor de langs deze  Geul  gelegen bedrijven, zoals Visser en Smit, over het water bereikbaar zijn. Het Eiland is ook een geweldig speelterrein voor mij en mijn vriendjes. Mijn moeder bidt iedere dag dat ik niet zal verdrinken en weer levend thuis zal komen. Mijn vader is tekenaar op het vliegtuigbedrijf Aviolanda, vijf minuten lopen van ons huis en gelegen aan het einde van de Merwede, langs de aanlegsteiger van de veerdienst Papendrecht-Dordt. Van die pont, een zijlader, ga ik vanaf 1955 gebruik maken om naar de lagere school in Dordt te gaan. Geweldig vind ik dat. Oversteken tussen al die binnenvaartschepen door. En dan in Dordt een stief kwartiertje lopen: langs de gasfabriek door de Voorstraat naar de Openbare School bij de Augustijnenkerk en het Hof. Op een mooie zaterdagochtend steek ik met de pont over naar Dordt om familie uit Vlissingen van de bus af te halen. De bushalte is bij de pont en ik sta daar netjes te wachten, naast een oud baasje dat kennelijk ook op de bus sta te wachten. Hij steekt iets in zijn mond, terwijl ik nieuwsgierig naar hem opkijk. “Ook een pruimpje? “ vraagt hij mij vriendelijk met glinsterende pretoogjes. Nou, een pruim gaat er bij mij altijd in. Weet ik veel dat het dit keer om een heel andere pruim gaat dan ik thuis gewend ben. Dus ik krijg een pluk pruimtabak in mijn hand gedrukt, die ik vertwijfeld in mijn mond stop. Gatsie, wat vies! Maar ik laat me niet kennen en begin er voorzichtig op te kauwen. Die ouwe naast me heeft er plezier in en moedigt me aan. Te beleefd om hem teleur te stellen kauw ik door, en durf de rommel niet uit te spugen. Mijn mond vult zich met speeksel, dus op het laatst sta ik met bolle wangen de zaak proberen binnen te houden. Ten slotte slik ik het allemaal maar in en ben ik er voorlopig van af. Maar niet lang, want even later heb ik moeten spugen als een dolle. Voortaan geen pruimtabak meer voor mij, een levensles rijker. Het is februari 1956, het vriest dat het kraakt en begint er zich drijfijs te vormen op de Merwede. Al wachtend op de pont in Dordt moet ik in de vrieskou twee keer optreden om een vriendje in nood te helpen: de eerste keer eentje die denkt  zijn tong tegen de bevroren slagboom te kunnen drukken en direct vast vriest. Ik ren naar het cafetaria op het veerplein en troon de uitbaatster met een ketel heet water mee naar de plek des onheils. Mijn vriendje houdt er alleen maar een verbrande tong en lippen aan over. De tweede keer glijdt een ander vriendje uit op een betonnen trap aan de waterkant en belandt tussen de ijsschotsen. Een medewerker van de zojuist gearriveerde pont komt op mijn hulpgeroep af  en gooit zijn leren jas die hij zelf aan één mouw blijft vast houden naar de hand tussen de ijsschotsen en gelukkig kan mijn vriendje uit het ijskoude water worden getrokken. Vlug naar hetzelfde cafetaria om te worden verzorgd. Hij houdt er alleen maar een dubbele longontsteking aan over. Die winter glijdt er ook nog een hond van de Merwedekade langs de gasfabriek in de rivier, zodat de stoompont die net wil vertrekken een stuk achteruit moet slaan om het dier van een zekere verdrinkingsdood te redden. Dat lukt en in de warme machinekamer wordt het totaal verkleumde beest weer door beide machinisten tot zijn positieven gebracht en verzorgd. Het dak van de machinekamer van de stoompont is trouwens lekker warm en kunnen wij schoolkinderen daar tussen de stuurhut en de pijp in de luwte ons warm houden. Er is immers in tegenstelling tot de motorpont geen passagiersverblijf op die stoompont en moet iedereen aan dek blijven. Er komt steeds meer ijsgang op de Merwede, totdat deze daarmee helemaal gevuld is, voor de pont geen doorkomen meer aan. Vanaf dat moment wordt de veerdienst onderhouden door een voetveer bestaande uit een sleepboot met ijsbrekerboeg, dus alleen bestemd voor het overzetten van voetgangers en fietsers.  Auto’s moeten afhankelijk van hun bestemming omrijden via de kilometers verderop gelegen bruggen van Alblasserdam over de Noord en van Gorkum over de Merwede. Intussen is de scheepvaart op de rivier door het barre winterweer volledig stil komen te liggen. Mijn vriendjes en ik blijven oversteken met de ”ijsbreker”, totdat zelfs dié wordt gestremd. Wat nu? We moeten toch naar school! Onze ouders steken de koppen bij elkaar en regelen vervoer met de eigenaar van de enige auto uit onze straat. Zodoende worden we gedurende ongeveer een week naar school in Dordt gereden via Alblasserdam en Zwijndrecht. Intussen is het beginnen te dooien en komen de veerdienst en scheepvaart weer op gang. Deze periode heeft zoveel indruk op me gemaakt dat ik het me tot nu toe herinner als de dag van gister.